Size matters

Eerst dacht ik dat ze verdwaald was, of dat ze nodig moest pissen, zoiets. Ze leek me het type niet dat op een zaterdagmiddag een vijver uitgraaft, of een laurier verplaatst. Haar nagels waren rood en lang genoeg om je ogen uit te krabben. En ze rook naar een of ander duur luchtje, ook zoiets. Het verhult de geur van grond en planten.

Maar ze was niet verdwaald. Ze kwam iets afhalen, zei ze.

‘Lijkt me sterk,’ zei ik. Er stond maar een bestelling klaar en die kon niet voor haar zijn.

Ze noemde haar naam en verdomd, het klopte. Ik verborg mijn verbazing en nam haar mee naar de schuur.

‘Ik had de hoop al opgegeven,’ zei ik. ‘Dat ding staat me al een week in de weg.’

‘Wat is hij groot,’ zei ze vol ontzag.

Het was inderdaad de grootste kaktus die ik ooit had gezien. Zijn pot had een doorsnee van minstens een meter en de top van de plant reikte tot vlak onder het plafond. En hij was breed. Dit was geen rechte stam met een of twee vertakkingen, zoals de kaktussen in Westernfilms, maar een grillig woud van tientallen armen die alle kanten opgroeiden. En overal staken de naalden naar buiten, hard als spijkers. Ze bekeek het monster met een verrukte glimlach op haar gezicht, aaide zijn huid tot ze geschrokken haar hand terugtrok. Haar wijsvinger bloedde.

Ik grijnsde. ‘Hoe wou u hem meenemen?’

Ze keek om zich heen. ‘Misschien zou ik die van u mogen lenen?’ Ze wees op een aanhangwagen.

Ik haalde mijn schouders op. Normaal kregen klanten de aanhanger niet mee, maar ik moest er niet aan denken dat ze weg zou gaan zonder dat ding mee te nemen. Misschien zou ze niet meer terugkomen.

Ik opende de klep van de aanhanger en plaatste een laadplank schuin, zodat we de plant erop konden schuiven.

‘Als u nou bijstuurt,’ zei ik.

Ik knielde onder de kaktus, haalde diep adem en zette mijn handen tegen de pot. Met grote moeite duwde ik hem tegen de plank. Verdomme, dat was al zwaar genoeg. En nu nog omhoog. Ik ging op mijn knieën zitten en zette mijn schouders schrap tegen de pot. Langzaam begon hij iets mijn kant op te hellen.

‘Voorzichtig,’ hoorde ik haar nog zeggen. ‘We willen de plant niet beschadigen!’

Ik kreunde van inspanning en zette nog iets meer kracht. Er klonk gekraak, de plant kantelde en ik hoorde niets meer.

Kort verhaal geschreven naar aanleiding van een nightwriters workshop van thrillerauteurs Judith Visser en Esther Kreukniet. Verplicht was de zin: ‘Wat is hij groot,’ zei ze vol ontzag. Ook te vinden als column op vriendin.nl .

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Writers block

Ik loop de studeerkamer binnen. Stag (10) zit aan het bureau. Doodstil zit hij daar en staart naar het beeldscherm. Ik pak een krukje en schuif aan.

‘Wat kom je doen, pap?’

‘Ik heb koekjes bij me.’

Al een week lang is hij elke avond aan het schrijven. Acht bladzijden lang moet zijn werkstuk worden, zonder de plaatjes. Ik kijk op het scherm. Daar staan twee droevige alinea’s tekst.

‘Wacht,’ zegt hij.

Met de pijltjes op het toetsenbord beweegt hij de cursor stapje voor stapje naar het einde van de eerste alinea. Dan begint hij in een traag ritme de backspacetoets aan te slaan. De laatste zin, dertien kostbare woorden, verdwijnen letter voor letter in het niets.

‘Dat was niet zo’n goed stukje.’

Ik pak het boek dat opengeslagen naast het toetsenbord ligt. ‘Hier staat dat zenuwcellen wel twee meter lang zijn. Waarom schrijf je dat niet op?’

‘Waar staat dat dan?’ Hij neemt het boek van me over. ‘Er staat dat ze één meter kunnen worden, pap. Niet twee meter.’

‘Ja, dat is toch leuk om te vertellen?’

‘Hm.’

Met zijn rechterwijsvinger begint hij te typen. Een voor een verschijnen er letters op het scherm die wat onwennig naast elkaar gaan staan. Stag stopt met tikken. Zoekend zweeft zijn vinger boven het toetsenbord.

‘Naar links,’ zeg ik. ‘Andere links… Onder… Laat mij maar even.’ Feilloos sla ik de ‘z’ aan.

‘Pap!’ zegt hij. ‘Ik moet het zelf doen.’ Hij verwijdert de door mij getypte letter uit zijn werkstuk, wacht even tot het veilig is, en typt hem opnieuw.

Ik staar naar buiten. De overbuurman laat zijn hond uit. Het dier is blij dat het naar buiten mag; het springt tegen zijn baasje op en kwispelt.

‘Zo,’zegt Stag tevreden. Zijn zin is af: “neuronen zijn lange cellen, ze kunnen wel een meter worden.”

‘Mooi!’ zeg ik. ‘Nu de volgende zin.’

Er verschijnt een denkrimpel op zijn voorhoofd. ‘Wacht, het moet met een hoofdletter.’

Onverbiddellijk gaat zijn rechterwijsvinger naar de backspace.

‘Maar zo gooi je alles weg! Zal ik je niet even helpen?’

Stag schudt zijn hoofd, hij moet het zelf doen.

‘Wanneer moet het eigenlijk af zijn?’

‘O, volgende week pas.’

Volgende week pas, juist. Ik sta op en leg de rol koekjes naast het toetsenbord. ‘Hier. Een koekje voor elke zin die je schrijft.’

‘Nou,’ zegt hij vrolijk. ‘Dan zijn ze snel op, hoor!’ En hij tikt alvast een letter.

Niet helemaal gerust verlaat ik de studeerkamer.
Meer columns vind je op vriendin.nl .

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog, Vriendin.nl

Van hamsters en mensen

Danny, een vriendje van Olle (8) heeft een dwerghamster. Hammie is heel schattig, zegt Olle. Hij loopt door gekleurde buizen en hij slaapt in een speciale bak. Het kriebelt als Hammie over je schouders loopt en als je geluk hebt, poept hij op je hoofd. Hammie kan wel twee jaar oud worden en hij is echt, echt, echt superschattig! Olle slaakt een diepe zucht en staart dromerig voor zich uit.

O o, denk ik. We hebben al moeite om onze lekkende kat in leven te houden, laat staan dat we op een uit de hand gelopen sok zitten te wachten. En wie gaat de orthodontist betalen? Die beesten schijnen allemaal een buitenboordbeugel te moeten als ze een maand of drie zijn.

De volgende dag heeft Olle Belangrijk Nieuws. Sjoerd heeft nu ook een dwerghamster. Brutus is bijna net zo leuk als Hammie: hij snurkt in zijn slaap en als je de koelkast opendoet gaat hij piepen. Hij mag in een speciale bal door het huis heenrollen en hij is pas een keer per ongeluk van de trap afgerold. Olle slaakt een diepe zucht.

O o, denk ik. Nu gaat hij vragen of hij er ook een mag. En dan zal ik zeggen van niet en dan zal Olle ten prooi vallen aan wanhoop in zijn puurste vorm. Hij zal zijn armen ten hemel heffen en schreeuwen dat hij ook nooit iets mag, dat zijn leven zonder dwerghamster geen zin heeft. Hij zal zijn hoofd op het tafelblad leggen, er met zijn vuisten op roffelen en zijn tranen de vrije loop laten. Dan zal hij me aankijken, met ogen die tijdelijk twee keer zo groot zijn als normaal, en hij zal me smeken of hij asjeblieft, asjeblieft, as-je-blieft een dwerghamster mag. Hij zal er heus heel goed voor zorgen, veel beter dan Danny die de zijne laatst nog in de wc heeft laten vallen en trouwens, dat was alleen omdat Hammie zonodig wou leren zwemmen. Dus dat telt niet.

Maar hij vraagt het niet.

‘Pap’, zegt Olle vastberaden. ‘Ik weet waarvoor ik ga sparen.’

Soms moet je mazzel hebben. Op een of andere manier heeft Olle bedacht dat een dwerghamster iets is waarvoor je moet sparen, en niet iets waar je om moet zeuren. Met zijn 70 cent zakgeld per week is hij allang het huis uit voordat hij voldoende geld heeft.

Nu is het mijn beurt om een diepe zucht te slaken. Van opluchting, welteverstaan.

‘Wat leuk,’ zeg ik. ‘Dat is nou echt een goed idee.’

Deze column was eerder te lezen op vriendin.nl. En daar staan nog zoooooveel andere leuke columns, je zou willen dat je meer tijd had om ze allemaal te lezen met de toewijding en aandacht die ze verdienen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Wat gebeurde er met de kleinste man ter wereld?

De langste man ter wereld is gestopt met groeien. Hij is nu twee meter vijftig en dat vond hij genoeg. Heel verstandig: je moet stoppen op je hoogtepunt.

Toen de langste man eens Nederland bezocht, leek het iemand een koddig idee om hem los te laten in Madurodam. Op een foto is te zien hoe hij lachend over het Rijksmuseum heenstapt. De fotografen sjokken achter hem aan, stuk voor stuk met de blik omlaag gewend. Ze zitten natuurlijk in een lastig parket: ze willen niet onbeleefd zijn, maar het is moeilijk om de langste man ter wereld niet aan te staren. Dus kijken ze naar hun schoenen tot het tijd is om foto’s te nemen zodat andere beleefde mensen zich ongegeneerd aan de man kunnen vergapen.

Het Guinnes Book of World Records haalde de kleinste man ter wereld erbij en zette het duo samen op een podium. Hier komt de langste man er bekaaid af: je ziet alleen zijn knieën een beetje. Eén beeld blijft hangen: lachend klemt de kleinste man ter wereld zijn knuistje om de wijsvinger van de langste man. Het is een schattig gezicht. Het liefst zou je de kleinste man onder zijn kinnetje kriebelen en ‘koedie-koedie-koe’ zeggen, maar dat wordt afgeraden: hij heeft heel scherpe tandjes.

Het bijschrift luidt: ‘De langste man ter wereld met de voormalig kleinste man.’ Dat zet te denken. Hoezo ‘voormalig’ kleinste man? Is er dan een kleinere man gevonden? Is de kleinste man inmiddels gegroeid?  Of – en dit is mijn favoriete theorie –is hij kwijtgeraakt?

‘Wat kijk je sip.’

‘Ik kan de kleinste man ter wereld nergens vinden.’

‘O? Daarnet zat hij nog gewoon in zijn hamsterbal.’

Misschien had de kleinste man ter wereld genoeg van de fotoshoots, van de starende blikken, van ‘koedie-koedie-koe’ en nog het meest van de beleefde mensen die net doen alsof er niets aan de hand is. Misschien werd hij, nog niet eens zo lang geleden, gebeld, door een vriend, een echte vriend, een van de weinigen die begrijpt hoe hij zich voelt.

‘Hé lange, hoe was het in Holland?’

‘Interessant. Heel interessant. Luister…’

Binnenkort gaat Madurodam weer open. Denk goed na voor je er iemand onder zijn kinnetje kriebelt.

 

Eerder verschenen op www.vriendin.nl.

Vergaap je aan de langste en kleinste man ter wereld op nu.nl.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Een prettig gesprek

Op de eerste verdieping van de hamburgertent, vlak naast de trap, heeft iemand een bordje ‘kinderparadijs’ tegen de muur geschroefd. In een hoek staat een levensgroot beeld van een clown in een gele tuinbroek. Een opgeleukt klimrek doet zijn best om die naam eer aan te doen. In afwachting van dienbladen vol Franse frietjes, lullige speeltjes en gefrituurd slachtafval beklimt Fie (4) plichtsgetrouw de plastic buizen. Keer op keer stort ze zich van de glijbaan, een meisje negerend dat zich al langer verveelt in het paradijs.

Ik ben op een krukje in de vorm van een milkshake gaan zitten, naast de moeder van het meisje en haar vriendin. Hun lange haar – de een is blond, de ander heeft donkere, uitgegroeide krullen – hangt slap over hun schouders. De blonde vrouw speelt met een pakje sigaretten – steeds laat ze een kant van het pakje op tafel vallen, draait het om en laat het opnieuw vallen.

‘Dat was zaterdag,’ zegt ze. ‘En toen had hij zoiets van : “We kunnen wel in de kou blijven staan, maar je kan ook bij mij een bakje komen doen.”’

De donkere vrouw staat op. ‘Kayla!’ zegt ze. ‘Houd daar mee op!’

Kayla steekt haar tong uit en verstopt zich snel achter de glijbaan. ‘Verdomme,’ zegt Kayla’s moeder. Ze laat zich op haar stoel vallen.

De blonde vrouw praat verder: ‘Nou, en toen ben ik met hem meegegaan.’

‘Verdomme Kayla!’ roept de moeder. ‘Moet je me nou alweer kwaad maken?!’

Kayla heeft het clownsbeeld omvergeduwd en probeert zijn gele tuinbroek uit te trekken.

‘We hebben tot zes uur ’s ochtends zitten kleppen,’ zegt de blonde vrouw. ‘Zes uur!’

Kayla geeft het beeld een zet. Donderend rolt de clown omlaag en landt op zijn hoofd, onderaan de trap. Kayla’s moeder zucht diep. Ze hijst zich half van haar stoel en richt een boze wijsvinger op haar dochter. Snel vlucht het meisje de glijbaan op.

‘Denk maar niet dat jij een happy meal krijgt!’ roept Kayla’s moeder.

‘En nee,’ gaat de blonde vrouw verder. ‘Er was geen sex. Als je dat soms denkt.’ Ze glimlacht tevreden bij de herinnering aan haar vasthoudendheid.

‘We gaan,’ zegt Kayla’s moeder. ‘Ik heb het helemaal gehad hier.’ Ze loopt naar het klimrek. ‘Kayla! Genoeg nu. Hier komme!’

‘Ja,’ zegt de blonde vrouw. ‘Ik denk dat het echt iets wordt tussen ons. Zoiets voel je.’

Fie is naast me komen staan. Ze drukt zich tegen me aan als Kayla, spartelend en huilend, door haar moeder de trap wordt afgesleurd.

De blonde vrouw staat op. ‘Als hij maar wel kinderen wil,’ zegt ze peinzend. ‘Ik ben echt zo dól op kinderen!’ Ze steekt een sigaret tussen haar lippen en loopt zonder ons op te merken de trap af en het restaurant uit.

Deze column verscheen dus eerder al op www.vriendin.nl . Maar dan net iets anders. Dat je’t weet.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Goed nieuws

Ik las ergens dat ons vertrouwen in ‘de media’ slinkt. We hechten steeds minder waarde aan wat kranten schrijven, aan wat journaals vertellen, aan wat in talkshows of op nu.nl wordt beweerd.

Misschien is het de kwantiteit die het hem doet: je twijfelt al snel of er wel voldoende nieuws is om al die journaals, talkshows, kranten en websites elke dag vol te krijgen.

Wie zelf een blog bijhoudt, regelmatig twittert of facebookt, weet bovendien hoe moeilijk het is om je lezers tevreden te houden met de waarheid en niets dan de waarheid. Op sociale media is liegen de norm: onze avatars zien er net iets slanker uit dan wij, onze vakanties zijn altijd zonnig en elk leven is succesvol. Als wij al gratis liegen, hoe zit het dan wel niet met de mensen die ervoor betaald krijgen?

Even gloorde er hoop: sinds Stag de videostand op zijn spelcomputer heeft ontdekt, maakt hij Het Buurtjournaal –een dagelijks programma met al het nieuws uit onze woonkamer en omstreken.  En hij gaat ver. Heel ver.

Niet alleen kreeg hij met behulp van een verborgen camera hij de waarheid rond de geknoeide kattenbakkorrels boven water, berucht is ook zijn ontmaskering van degene die met blauwe stift op de poes getekend had. Fie’s huilende bekentenis vestigde definitief de reputatie van Het Buurtjournaal als enige serieuze bron voor lokaal nieuws.

Onlangs ging de deurbel. Nietsvermoedend deed ik open en direct duwde Stag een draaiende camera in mijn gezicht en vroeg hij naar mijn rol in De Zakgeldfraude. Er waren ‘binnen het gezin’ twijfels gerezen of ik vorige week wel voldoende had uitgekeerd.  Onder druk van de publieke opinie was ik genoodzaakt alsnog uit te betalen, met rente. Waar vrije pers al niet goed voor is.

Vanmiddag ging het eindelijk mis. Stag liep al een tijdje met een gezicht als een donderwolk rond. Het was allemaal veel te saai, zei hij, er gebeurde hier nooit iets en als het zo doorging wilde niemand zijn journaal zien. Ik vreesde voor het einde van zijn journalistieke carrière, maar niet veel later was hij druk bezig met een nieuwe opname. Hij had al zijn ruimtelego buiten uitgestald en filmde hoe een klodder pindakaas met poppeoogjes langzaam van de tuintafel droop.

‘Goed nieuws, pap!’ zei hij. ‘De aliens zijn geland in onze achtertuin en ze nemen binnenkort de aarde over!’

Tien jaar, en hij begrijpt nu al beter hoe televisie werkt dan menig volwassene. Dat worden nieuwe kijkcijferrecords.

Deze column verscheen ook op www.vriendin.nl.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

STOP! POLITIE!

Sinds kort ben ik meestercrimineel. Onlangs nog werd ik achtervolgd, klemgereden en bijna gearresteerd. Toegegeven: het  ging niet harder dan dertig kilometer per uur  en de helft van de tijd had ik niet eens door dat ik middenin een politieachtervolging zat, maar toch.

Dat zat zo.

Ik reed nietsvermoedend in onze aftandse gezinswagen naar het winkelcentrum om de wekelijkse voorraad boter, pindakaas en eieren in te slaan. In de verte naderde een politiewagen. Daar schrok ik van. Ik schrik eigenlijk altijd als ik een politieagent in het wild zie, ik heb dan wel niets te verbergen, maar weet die man dat ook? Misschien is hij wel zo’n overijverig type dat nog één arrestatie verwijderd is van zijn droompromotie, en misschien lijk ik wel zonder het te weten als twee druppels water op Hugo P., de zojuist ontsnapte meestercrimineel die altijd in andermans eten hoest en nooit zijn hand uitsteekt als hij rechtsaf slaat. Je weet het niet.

Dus schrok ik, heel eventjes, maar blijkbaar lang genoeg om de aandacht te trekken. Want terwijl ik stapvoets verder reed en mijn best deed alle rollators en winkelkarretjes te ontwijken, ging de politiewagen heel dicht achter me rijden. Op het dak knipperden in rode lampjes de woorden ‘STOP’ en ‘POLITIE’.

Zodra ik geparkeerd was zette de agent zijn wagen schuin achter de mijne: ontsnappen was onmogelijk. Hij keek me streng aan. Of ik wist waarom hij me staande had gehouden. Dat wist ik niet.

‘Dat weet u niet.’

Dat wist ik niet.

Nou, de agent wist het wel degelijk. Ik had namelijk niet-handsfree getelefoneerd, nog net geen doodzonde, maar zeker boetewaardig! Hij pakte zijn bonnenboekje en een pen en begon te schrijven.

In paniek sprak ik de waarheid: ‘Maar ik heb helemaal geen telefoon bij me…’

Hij stopte. ‘Hoe kan het dan dat ik u heb zien bellen?’

Ik haalde mijn schouders op; nogmaals de waarheid zeggen – ‘Misschien hebt u poep in uw ogen?’ –leek me onverstandig.

Hij liet me mijn zakken leegmaken. Hij doorzocht mijn auto. Hij keek streng en hij vroeg waar mijn telefoon dan was.

‘Thuis.’

Dat antwoord beviel hem niet. Hij liet een lange, dreigende stilte vallen.

‘Nou,’ zei hij eindelijk, ‘voor deze keer zien we het door de vingers.’ Ik mocht gaan.

Sindsdien houd ik mijn mobieltje dag en nacht bij me. Je weet nooit wanneer Peter R. de Vries belt voor een exclusief interview met meestercrimineel en schrijver K.

Meer columns lezen? vriendin.nl/doen/knofs-column

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl