Meester Buunk

‘Volgend jaar zit ik bij meester Karel,’ zegt Olle. ‘Die is nieuw.’ Zijn melksnor veegt hij af aan zijn pols. ‘Een meester is heel anders dan een juf.’

‘Toen ik in groep 5 zat, had ik ook een meester.’

‘Was hij streng?’

Ik knik. Meester Buunk was bijna net zo oud als Sinterklaas. Er groeide een woeste, zwarte baard uit zijn gezicht en hij rookte sigaren; gewoon, in de klas.

Als je even niet oplette, stond hij opeens achter je. Dan draaide hij je oor om tot het gloeide. Je moest wel meebewegen, anders viel je oor eraf. Je wang drukte tegen het koude tafelblad. Net als je het niet meer hield, als je voelde dat je nu moest gillen omdat je anders zou ontploffen, merkte je dat hij allang had losgelaten en de tafel van zeven op het bord schreef.

Olle voelt voorzichtig aan zijn oor. ‘Maar dat mag toch niet?’

‘Nee.’

‘Wat een rotmeester.’

‘Niet op vrijdag,’ zeg ik.

Op vrijdag vertelde meester Buunk verhalen. We geloofden het nauwelijks, maar ook de meester was een kleine jongen geweest die in bomen klom en een gat in zijn nieuwe broek viel. Maar geen gewone jongen, natuurlijk. Nee. De jonge meester Buunk had een onzichtbaarheidszalfje uitgevonden. Je smeerde het op je pols en floep! Weg was je.

Twintig kinderen luisterden naar de avonturen van de onzichtbare meester. Monden hingen open, hoofden lagen op armen, ogen knipperden niet zolang de stem van meester Buunk klonk, wie een nies voelde opkomen, hield hem uit alle macht binnen. Zelfs als je heel nodig moest plassen, bleef zitten; liever met een natte broek naar huis dan de betovering verbreken. Je wilde dat de middag eindeloos zou zijn.

‘Waar is die zalf gebleven?’ vraagt Olle.

‘Dat vroegen wij ook. Wel duizend keer hebben we dat gevraagd. Iedereen wilde dat zalfje hebben. Maar meester Buunk had het niet meer. Weggegeven op de dag dat hij een meester werd. Weet je aan wie?’

‘Aan jou?’

‘Nee. Aan een jongetje dat toen in zijn klas zat.’

Olle staart voor zich uit.

‘En dat jongetje is later zelf ook meester geworden. En ook hij heeft het zalfje doorgegeven.’

‘Aan een jongetje uit zijn klas?’

‘Precies. Een jongetje dat zelf ook meester wilde worden.’ Ik slurp van mijn thee. ‘Wie weet waar dat potje nu is…’

Olle steekt zijn wijsvinger in zijn beker en schept er de laatste druppels melk uit.

‘Weet je,’ zegt hij. ‘Ik word later ook meester.’

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Sex, geweld, Apple en andere onderwerpen waar mensen graag over lezen

Ik was zeventien en ik keek met negen andere cursisten naar een filmpje. De ene na de andere volkomen normale persoon wierp zich lachend uit een vliegtuig. Onder de vallende mensen was vrolijke muziek gemonteerd. Tijdens de aftiteling kwam onze instructeur binnen. Eric droeg een rode joggingbroek, rode teenslippers en een rood windjack en we mochten hem alles vragen, mits we eerst onze naam zeiden want Eric was heel slecht met namen.

Een man met een vlekkerig gezicht en een midlife crisis stak als eerste zijn hand op.

‘Ik heet Gerben,’ zei hij en Eric knikte tevreden. Gerben wilde weten wat er gebeuren zou als de parachute niet opende.

Die vraag had Eric vaker gehoord. De kans daarop was heel erg klein.

Gerben wilde toch graag weten wat er dan gebeurde.

Eric vertelde dat we alle mogelijke situaties gingen oefenen en dat je altijd een reservechute bij je had.

Gerben vroeg wat er gebeurde als de reservechute niet werkte.

Eric zei dat de kans daarop heel erg klein was.

‘Maar stel nu eens dat het toch gebeurt,’ zei Gerben. ‘Wat dan?’

Eric keek drie tellen naar het plafond. Toen hij liep naar de stoel waar Gerben zat en liet zich door zijn knieën zakken totdat hun gezichten op gelijke hoogte waren. ‘Hoe heette je ook alweer?’ vroeg hij met zachte stem.

Gerben noemde zijn naam.

‘Gerben,’ zei Eric. Hij bracht zijn mond heel dicht bij Gerbens gezicht. ‘Dan ga je dood, Gerben. Dood! Hartstikke dood!’

Gerben knikte. Zijn wangen waren nu nog vlekkeriger.

‘Mooi!’ zei Eric. Energiek kwam hij overeind. ‘Dan ga ik jullie de landingsrol leren!’

Hij liep naar buiten en wij volgden. Alleen Gerben bleef zitten. Terwijl wij om beurten van een tafel afsprongen en door het gras rolden, nam hij de trein naar huis. Een sukkel, vond Eric. We knikten.

Later stegen we op voor onze eerste sprong. Dicht opeengepakt zaten we, in een vliegtuigje dat de hik had. Ik had mijn benen opgetrokken en de handen om mijn knieën geslagen. Alles rook naar kerosine. Op drieduizend voet hoogte schoof Eric de zijdeur open. Een hevige wind sloeg naar binnen. Doe die deur dicht, dacht ik. Straks vallen we eruit. De jongen voor me stak een been buiten boord, zette zich af en was verdwenen. Eric wenkte de volgende. In hoog tempo vielen mijn klasgenootjes uit het vliegtuig. Tot alleen ik over was. Ik kroop naar het gat in de wand van het vliegtuig en stak een been buiten boord. Ver onder mijn voet was de grond. Waarom deden mensen dit?

Eric grijnsde naar me. ‘Ready?’ riep hij.

Ik wilde niet. Ik wilde niet vallen. Ik wilde leven. Ik knikte.

‘Go!’

Ik zette me af.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog, Vriendin.nl

Iemand in de stad

Dit is een stad om onderweg te zijn, geen stad om te verblijven. Een stad waarboven wolken hangen. Ze maken de stoepen grijzer, en sommige van de mensen.

Ik aarzel. Welke kant moet ik op?

Een meisje van een jaar of dertig schiet me aan. Ze heeft drie sproeten op haar linkerwang, vier op de rechter, en ze moet naar het Impasseplein.

Tien minuten geleden meldde de TomTom dat ik mijn bestemming bereikt had, maar omdat parkeren er niet mogelijk was, reed ik door. Vijfhonderd meter, dertig bochten en zevenentwintig rotondes later stalde ik de auto in een voormalige kolenmijn die een nieuw leven was begonnen als parkeergarage. Ik nam de lift omhoog. Terug in de buitenwereld leek niets op de stad waar ik zoëven nog doorreed. Waar moest ik heen? Blijven staan hielp in ieder geval niet en dus koos ik feilloos de verkeerde richting en begon te lopen.

Winkels werden huizen, die zich uitrekten tot flats. Dit kon niet kloppen, ik moest in het centrum zijn. Waar was de Cheshire kat als je hem nodig had?

Ik vertraagde mijn pas tot een weifelend slenteren. Dan toch maar de weg vragen. Maar aan wie? Her en der liepen wel wat mensen op straat. Een dame met een hondje als een wandelende handtas keek me gretig aan, klaar om een hand op mijn arm en beslag op mijn tijd te leggen met verhalen over haar ergernissen en kwaaltjes, en die van al haar kennissen. Geen tijd, geen tijd. Ik keerde me van haar af en botste tegen een donkere jongen met een te kleine baseballcap op zijn hoofd. Hij negeerde me. Zwalkend liep hij verder, zijn armen sleepten over de grond mee als die van een gorilla.

Een meisje van een jaar of dertig kwam aanlopen. Ze had een blonde paardenstaart en sproetjes op haar wangen. Zij dan?

Voor ik kon besluiten haar niets te vragen, schoot zij mij aan. Of ik het Impasseplein kende. Ik ging wat meer rechtop staan en wees haar zelfverzekerd de weg: hier de straat uit, linksaf over het bruggetje, met de bocht meedraaien en dan liep ze er zo tegenop. Simpel. En anders daar even verder vragen.

Ze straalde. Uren liep ze al te zoeken. Zo fijn om eindelijk een man te vinden die de weg wist! Ik knikte geruststellend – ze was in goede handen.

Ik keek haar na tot ze linksaf sloeg, draaide me om en zette het op een lopen; ik  moest uit het zicht zijn voordat ze merkte dat ik haar over een niet-bestaand bruggetje had gestuurd. Ik maakte een soort huppeltje en versnelde tot een looppas. Niet omkijken! Snel de hoek om.

In elk geval wist ik nu welke kant ik op moest.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Ware liefde

Vandaag staat Fie (4) stil. Gehoorzaam wacht ze terwijl ik haar haar in een vlecht vlecht.

Een prinsessenjurk draagt ze en hij is erg roze. Ze heeft een zilveren diadeem van echt plastic in en haar handschoenen reiken tot over de ellebogen. Haar voeten steken in glazen muiltjes. Ze is prachtig, vandaag.

Vandaag, eindelijk, komt hij. Rogier is haar beste vriendje voor altijd en eeuwig. Door een verhuizing is ze hem een klein beetje uit het oog verloren maar nog altijd staat hij fier bovenaan haar lijstje huwelijkskandidaten. (Zelf ben ik een goede vierde, na Wouter en Eline, maar vóór Marco, die uit de gratie is geraakt sinds hij een spin in zijn oor propte om te kijken of dat zou kriebelen.)

Zes maanden gingen voorbij sinds Rogier en Fie elkaar voor het laatst diep in de ogen keken.

‘Je bent klaar.’

Direct holt ze naar de voordeur om te controleren of Rogier daar niet toevallig al een beetje stond en vergeten was aan te bellen – zulke dingen gebeuren, daar moet je rekening mee houden. Ze opent de voordeur. Niemand.

Teleurgesteld sleept ze zich naar de woonkamer. Voor de zekerheid maakt ze nog even een achterwaartse koprol, gewoon, om te zien of ze het nog kan. Als ze neerkomt gaat de deurbel. Ze schiet overeind en kijkt me aan, haar ogen wijd opengesperd.

‘Daar is hij,’ fluistert ze en razendsnel gaat ze onder de bank liggen.

De mama van Rogier komt binnen, een verlegen kleuter aan haar hand.

‘Hoi Rogier,’ zeg ik. ‘Fie heeft zich verstopt,’

‘Nee, hoor,’ klinkt het vanonder de bank. ‘Hier is niemand.’

Rogier laat zijn moeder los en holt naar de bank. Hij gaat op de grond liggen en begroet zijn verloofde door met zijn tong een scheet na te doen. Ze giechelt. Hij is echt het grappigste van de hele wereld.

‘Vind je mij mooi?’ vraagt Fie.

 ‘Ik kan mezelf kelen.’ Rogier staat op en voegt de daad bij het woord. Rochelend, met zijn handen om zijn keel geknepen en uitpuilende ogen, wankelt hij achteruit door de woonkamer.

‘Nu ga ik naar de klimbomen!’ Hij rent naar buiten.

Fie komt onder de bank uitgekropen. Haar diadeem zit scheef.

‘Dat was Rogier,’ zegt ze. ‘Hij is zó lief.’

 

Deze column stond eerder op vriendin.nl .

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Kareltje

Ik lig op de bank te youtuben als Olle (7) binnenrent.  ‘Hij gaat dood! Hij gaat dood!’

‘Wie?’ zeg ik zonder van de iPad op te kijken. Olle heeft wel vaker moeite om hoofd- en bijzaken te onderscheiden. De kans is groot dat het om een gewond lieveheersbeestje gaat, of een bij die te diep in een bloemkelk heeft gekeken.

Olle sleurt me mee naar buiten. ‘Kom nou! Je moet helpen.’

In de struiken ligt een kraai, stiller dan andere vogels. Roerloos.

‘Gaat-ie dood?’ vraagt Olle en ik zie de angst in zijn ogen. Dit vraagt om vaderschap.

‘Natuurlijk niet! We gaan hem toch redden.’ Voorzichtig pak ik de vogel bij zijn vlerken.  ‘Laten we hem in de tuin leggen, om bij te komen.’

‘Nee! Daar pakt Sam hem.’

Sam is onze poes. Sam is oud, incontinent en te dement om een gevaar te zijn voor welke vogel dan ook. Maar voor Olle is ze een levensgevaarlijke tijger. Dus leggen we de vogel op het balkon.

Een half uur later loop ik naar boven om te kijken hoe het met de kraai gaat. Hij kijkt me dom aan. Dat schiet niet op. Misschien slaat hij spontaan zijn vleugels uit als hij blauwe lucht ziet. Ik til de kraai op en zet hem op de balkonleuning.

Niks.

‘Kom op, stom beest. Vliegen.’

Een zetje geef ik hem, meer niet, en toch hij schuift hij van het randje af en stort hij, zonder zelfs maar een poging tot vliegen, van het balkon. De klap waarmee hij neerkomt, klinkt niet eens zo hard.

Daar komt Sam al aangewaggeld, zijn blik strak op de vogel gericht die doodstil op het terras ligt.

‘Kst!’ roep ik.

Sam kijkt op, constateert dat ik het maar ben, en waggelt rustig verder.

Ik storm de trap af en hol langs een spelende Olle de tuin in.

‘Hoe is het met Kareltje?’

‘Goed!’ roep ik. ‘Prima! Kan niet beter!’

Ik sluit de tuindeur. Sam zit naast Kareltje, een poot rust nonchalant op de vogel.

‘Rotkat!’ sis ik en ik duw hem opzij. Sam kuiert er vandoor. Als ik de kraai optil, blijft zijn kopje hangen.

Wat nu?

Ik grijp de vogel, zet twee passen naar de groene kliko en laat hem erin vallen. Een efficiënte begrafenis.

De tuindeur zwaait open. ‘Papa!’ roept Olle. ‘Hij is weg! Kareltje is weggevlogen, papa!’

‘Ik zei het toch!’

Olle steekt zijn duim naar me op. Zijn papa is de beste van de hele wereld. Juichend rent hij naar binnen.

Ik open de kliko. Kareltje staart me beschuldigend aan. ‘Sorry, ’ prevel ik.

3 reacties

Opgeslagen onder Knoflog

De dame en de vagebond

Ik laad de weekendboodschappen in drie grote, stevige tassen. Nu is een dame aan de beurt, een nette, geparfumeerde dame zoals Annie M.G. Schmidt ze bedacht, met ouderdomsvlekken op haar handen en een bontkraag. Veel heeft ze niet nodig: een fles witte wijn, pitloze druiven en een kant en klare stoommaaltijd.

‘En ik wil er ook zegels bij,’ zegt ze.

Een man sluit aan. Lang en mager is hij maar zijn haar is lang en vet, alsof het lang geleden door shampoo is aangeraakt, de huid van zijn gezicht is verweerd, zijn jack is van leer en er zitten gaten in; deze man komt uit een andere wereld. De dame negeert hem.

De lange man houdt zijn blik op de directe omgeving gericht. Eerst zet hij een pak vla op de lopende band. Dan begint blikken bier te plaatsen. Twee aan twee zet hij ze neer, halve liters Euroshopper pils, zestien blikken in totaal.

‘Bonuskaart?’ vraagt het kassameisje.

De nette dame opent haar portemonnee en loopt al haar pasjes langs. Het zijn er veel. Het kassameisje staart  de winkel in, ze heeft geen haast. Nu rommelt de dame in haar tas. Haar lippen worden dunner. ‘Nee,’ zegt ze. Met een vinnige haal ritst ze haar tas dicht. ‘Nee!’

‘Mevrouw,’ mompelt de lange man. Hij steekt hij zijn hand naar haar uit, de arm gestrekt, zoals je een grommende hond voorzichtig benadert om hem aan je geur te laten wennen. Ze twijfelt zichtbaar. De man strekt zijn arm nog iets verder uit. Op zijn hand staan drie puntjes getattoeëerd. Ze grist de bonuskaart uit zijn hand en geeft hem aan het kassameisje die hem routineus scant en op de toonbank legt. Daar blijft de kaart liggen.

‘Wilt u de bon?’

De dame wrijft even met haar hand langs haar jas en schudt haar hoofd. Gehaast pakt ze haar boodschappen  bij elkaar: wijn, magnetronmaaltijd. De druiven laat ze liggen.

‘U moet ook iets gezonds eten,’ zegt ze, zonder de man aan te kijken.

Hij maakt een lichte buiging. De dame ziet het niet. Weg is ze, met korte passen de winkel uit. De man rekent zijn vla en pils af met muntgeld dat hij uit alle zakken van zijn broek en jas opdiept. Hij laadt de boel in gratis plastic zakjes en vertrekt. De druiven laat hij liggen.

1 reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Workshop: Creatief Schrijven met Knof

Er zijn weinig dingen die ik zo graag doe als schrijven.

Nee, wacht. Er zijn geen dingen die ik zo graag doe als schrijven. Maar een goede tweede is anderen leren hoe ze (nog) beter kunnen schrijven. En 19 mei is het weer zover: dan geef ik een workshop creatief schrijven, exclusief voor TenPages.com en op hun hoofdkantoor.

Hoe kom je aan interessante personages? Hoe grijp je de lezer bij zijn lurven? Waarom lees je het ene boek in een ruk uit en leg je het andere gapend weg? In drie uur nemen we de kneepjes van het vak door. Daarna zal schrijven nooit meer hetzelfde zijn. En lezen ook niet, trouwens.

Meer informatie? Inschrijven? Het kan op de site van TenPages.com.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog, TenPages.com