STOP! POLITIE!

Sinds kort ben ik meestercrimineel. Onlangs nog werd ik achtervolgd, klemgereden en bijna gearresteerd. Toegegeven: het  ging niet harder dan dertig kilometer per uur  en de helft van de tijd had ik niet eens door dat ik middenin een politieachtervolging zat, maar toch.

Dat zat zo.

Ik reed nietsvermoedend in onze aftandse gezinswagen naar het winkelcentrum om de wekelijkse voorraad boter, pindakaas en eieren in te slaan. In de verte naderde een politiewagen. Daar schrok ik van. Ik schrik eigenlijk altijd als ik een politieagent in het wild zie, ik heb dan wel niets te verbergen, maar weet die man dat ook? Misschien is hij wel zo’n overijverig type dat nog één arrestatie verwijderd is van zijn droompromotie, en misschien lijk ik wel zonder het te weten als twee druppels water op Hugo P., de zojuist ontsnapte meestercrimineel die altijd in andermans eten hoest en nooit zijn hand uitsteekt als hij rechtsaf slaat. Je weet het niet.

Dus schrok ik, heel eventjes, maar blijkbaar lang genoeg om de aandacht te trekken. Want terwijl ik stapvoets verder reed en mijn best deed alle rollators en winkelkarretjes te ontwijken, ging de politiewagen heel dicht achter me rijden. Op het dak knipperden in rode lampjes de woorden ‘STOP’ en ‘POLITIE’.

Zodra ik geparkeerd was zette de agent zijn wagen schuin achter de mijne: ontsnappen was onmogelijk. Hij keek me streng aan. Of ik wist waarom hij me staande had gehouden. Dat wist ik niet.

‘Dat weet u niet.’

Dat wist ik niet.

Nou, de agent wist het wel degelijk. Ik had namelijk niet-handsfree getelefoneerd, nog net geen doodzonde, maar zeker boetewaardig! Hij pakte zijn bonnenboekje en een pen en begon te schrijven.

In paniek sprak ik de waarheid: ‘Maar ik heb helemaal geen telefoon bij me…’

Hij stopte. ‘Hoe kan het dan dat ik u heb zien bellen?’

Ik haalde mijn schouders op; nogmaals de waarheid zeggen – ‘Misschien hebt u poep in uw ogen?’ –leek me onverstandig.

Hij liet me mijn zakken leegmaken. Hij doorzocht mijn auto. Hij keek streng en hij vroeg waar mijn telefoon dan was.

‘Thuis.’

Dat antwoord beviel hem niet. Hij liet een lange, dreigende stilte vallen.

‘Nou,’ zei hij eindelijk, ‘voor deze keer zien we het door de vingers.’ Ik mocht gaan.

Sindsdien houd ik mijn mobieltje dag en nacht bij me. Je weet nooit wanneer Peter R. de Vries belt voor een exclusief interview met meestercrimineel en schrijver K.

Meer columns lezen? vriendin.nl/doen/knofs-column

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Je-weet-wel-vaders

Drie kinderen vinden we wel genoeg en dus moeten we moeite doen om een nakomertje te voorkomen. De pil heeft afgedaan: te veel bijwerkingen en mijn vrouw wil niet nog meer hormonen in haar lijf. Geheelonthouding is veilig maar heeft ook zo zijn nadelen. Voorlopig zijn condooms het weapon of choice, hoewel dat gehannes snel gaat vervelen. Eigenlijk is er maar een optie over. En die doet me niet direct steigeren van enthousiasme.

Als het onderwerp ter sprake komt, trekken de aanwezige mannen pijnlijke gezichten en beginnen snel over Ajax of de fileproblematiek. Maar als vrouwen bloed ruiken, ben je als man weerloos. Zonder uitzondering vinden ze het een goed idee. Een bijzonder goed idee, zelfs. Ze praten erover met een gretigheid waar Freud wel raad mee had geweten.

Het is een kwestie van solidariteit, zeggen ze dan. Want denk je dat kinderen baren zo’n pretje is? En trouwens, zo’n ingreep stelt toch niks voor. Kwestie van een sneetje maken en een knoopje leggen. Zo gepiept, niks aan het handje. En dan nippen de vrouwen van hun droge witte wijn in de wetenschap dat ze het gelijk aan hun kant hebben.

Ik vroeg het aan een vriend die het weten kan: hij heeft zich recent laten helpen. Droevig keek hij me aan, schonk een borrel  in, en deed zijn verhaal. Hij vertelde van naalden door edele delen, mislukte verdovingen en scalpels op plaatsen waar je ze niet voelen wil. Hij sprak van wroetende doktershanden op zoek naar een in de buikholte weggekropen teelbal. Van zelfoplossende hechtingen die weigerden zichzelf op te lossen. Vier weken droeg mijn vriend extra wijde oma-onderbroeken en liep hij rond met O-benen om de ontstoken wond ruimte te geven. Elke keer dat hij nonchalant een hand naar zijn kruis bracht om de zaak goed te leggen, sprong er een hechting open. Met maandverband en watten moest hij dan het bloeden stelpen. Eerlijk was eerlijk: zijn vrouw uitgescheurd, dan hij ook. De moedermaffia kon tevreden zijn. Van zijn mannelijkheid was weinig over en geheelonthouding was in die dagen geen keuze maar bittere noodzaak.

Toch zou hij het zo weer doen. ‘Dit was het minste dat ik kon doen,’ zei hij gelaten.

Ik schonk nog een borrel in.

Want natuurlijk hebben jullie gelijk, moeders: als de kinderen gebaard zijn, is het de beurt aan ons vaders. Dat is logisch, dat is eerlijk, natuurlijk… Maar doe me een lol en draag je gelijk iets minder gretig uit. En noem het alsjeblieft geen ‘knoopje leggen’. Het doet al pijn als ik eraan denk.

Meer columns op http://www.vriendin.nl/doen/knofs-column

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Pootje over

Echte Hollandsche jongensch schaetsen als de besten. Olle was al acht jaar oud en had nog nooit de ijzers onder gebonden: het werd hoog tijd dat hij het eens leerde.

Het was alweer een jaar of twintig sinds mijn laatste Elfstedentocht, maar van alle kanten werd me verzekerd dat je schaatsen niet kunt verleren: kwestie van het eerste rondje rustig aan doen en daarna ga je pootje over alsof je gisteren nog met Falko Zandstra trainde. En die jonkies, die hebben de slag ook zo te pakken.

In gedachten vlogen Olle en ik al met ijspegels aan de neusgaten en dichtgevroren oogleden over een Fries meer, kranten op de borst, wisselend op kop rijdend om de wind te vangen…  Ja, het zou me verbazen als we voortaan niet twee, drie keer per week op sloten en vaarten zouden staan.

We begonnen rustig, op zo’n lafjes half overdekte ijsbaan, zonder messcherpe rietkragen of verraderlijke wakken maar mét een rubberen stootrand; handig voor als je even vergeten bent waarom je zo nodig moest versnellen en waar ook alweer de handrem zat.

Er waren veel kinderklasjes op het ijs. Ze speelden dat ze mammoeten waren en schaatsten soepel om pilonnen heen. Olle deed zijn allereerste rondje schuifelend achter een soort wielloze rollator voor kinderen. Ik volgde hem geduldig.

Dat het wat stroef ging en ik wat wankel op de benen stond, weet ik aan ons lage tempo: wie harder schaatst, wordt vanzelf stabieler, dat wisten de oude Grieken al. Om de zoveel meter gaf ik Olle advies zodat hij het sneller zou leren.

‘Niet vallen,’ zei ik dan.

Of: ‘Je linkervoet krabbelt te veel. Probeer je slagen door te strekken tot uit je tenen.’

Een rondje later wilde hij het eens zonder rollator proberen. Dat ging best. Na nog twee rondjes werd hij overmoedig, slalomde tussen een kleuterklasje door, keek triomfantelijk naar mij om en zag daardoor niet dat hij recht op een pilon afgleed.

‘Kijk uit!’ riep ik en ging keihard onderuit.

Olle maakte een keurig bochtje om de pilon heen en begon me hartelijk uit te lachen.

‘Je kan er niks van, pap!’

Ineens wist ik weer waarom ik al twintig jaar niet meer geschaatst had. Vijf minuten later zaten we in de auto, Olle honderduit babbelend, ik nukkig zwijgend, met overal pijn.

Gisteren speelde Fie (4) rayonhoofdje en vroeg Stag (10) of hij ook nieuwe schaatsen mocht.

Hopelijk gaat het snel dooien.

 

Meer columns op vriendin.nl/doen/knofs-column

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Youp op speed

Ik heb een ochtendhumeur.

Overdag ben ik een vredelievend mens, redelijk in alle opzichten. Maar het eerste uur na het opstaan verander ik in een alles en iedereen uitkafferende psychopaat, een Youp van ’t Hek op speed, Geert Wilders op een jamboree voor moslimjongeren.

Dat zou allemaal niet erg zijn als ik ’s ochtends enige rust en kalmte om me heen had, maar ik heb drie kinderen. Kinderen en een ochtendhumeur zijn een dodelijke combinatie. Soms vraag ik me af waarom ik me ook alweer zo nodig moest voortplanten.

Zodra ik met het verkeerde been uit bed stap, word ik omringd door mensen die niets liever doen dan stuiteren, gillen, me over obscure Japanse tekenfilms vertellen, hun melk omgooien en heel, heel hard neurieën – het liefst dat ene vervelende Eftelingliedje dat zo in je hoofd gaat zitten.  (Kom, hoe gaat-ie ook alweer…? Juist, die is het.)

Wat ook niet helpt is dat onze wekker een geluid maakt dat het midden houdt tussen een tandartsboor en een parend nijlpaard. Om voortaan wat liever aan de dag te beginnen, hebben we een wekker-cd-speler gekocht en na lang peinzen besloten we dat Coldplay ons voortaan mocht wekken. Het liedje heet Don’t Panic –dat leek ons geen slecht advies om de dag mee te beginnen.

Maar het werkt niet.

Aan de muziek ligt het niet: na een kalm gitaarintro valt Chris Martin met zachte, nasale stem in. Helaas maakt de wekker ruim voordat de muziek begint al genoeg lawaai om de diepste slaap te verstoren. ‘Krrr, pst,’ doet hij. En dan: ‘Tak… Tak? Tok! Vrrt. Zzzzgggg. Tsssjj…’ Pas dan begint het liedje. Meestal heb ik na de eerste ‘Tak’ al een kopstoot uitgedeeld. Chris Martin hebben we nog nooit gehaald.

Wakker worden van een miskoop: een miserabel begin van de dag.

Gelukkig trekt de rest van het gezin zich weinig van me aan. Ze stuiteren. Ze zingen. Ze soppen hun broodkorsten in de melk. En ze houden in een schriftje de stand van mijn ochtendhumeur bij.

‘Drie-en-tachtig procent, pap! Een nieuw record!’

Ik grom dat ze moeten kappen met die onzin. Ik snauw dat ze moeten opschieten. Ik slurp van mijn thee en ik vervloek wekkers en vroeg opstaan en laat naar bed gaan. En ik glimlach. Ik heb een ochtendhumeur van drie-en-tachtig procent. De dag beginnen met een nieuw record: wie doet me dat na?

 

Meer columns op vriendin.nl.

1 reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Talk dirty to me

‘Papa!’
Fie (4) springt tegen me op als een dolle puppie. Ze slaat haar armen om me heen en drukt een rode wang tegen mijn heup.
‘Ik heb je zo erg gemist, papa…’
Mijn dochter heeft talent voor pathos. Als ik haar van de naschoolse opvang ophaal, reageert ze steevast alsof ze een zeilmeisje is dat net voet aan land zet na een reis om de wereld.
‘Ga je broers maar zoeken,’ zeg ik.
Ze huppelt vrolijk weg richting de voetbaltafel.
‘Papa Rommes,’ zegt Eduard met een plechtig gezicht. ‘Kan ik u even spreken?’ Hij legt een hand op mijn schouder en buigt zich naar me toe. ‘Over Fie,’ fluistert hij veel te hardop.
Eduard is een van de begeleiders. Eduard fluistert wel vaker dat hij me even wil spreken. Eduard is nogal fijngevoelig als het op taalgebruik aankomt, vooral als het gaat om het benoemen van –en nu moet ik op mijn woorden letten –bepaalde delen van het menselijk lichaam die iedereen weliswaar in een of andere vorm heeft, maar die we elkaar over het algemeen niet in het gezicht slingeren. Daar kan Eduard niet goed tegen. Lastig, met Fie in de buurt. Want Fie is vier. En als je vier bent, zijn er weinig dingen leuker dan vieze woorden roepen. Met twee grote broers in huis heeft ze een woordenschat ontwikkeld waar Goedele Liekens een puntje aan kan zuigen. Meestal levert dat weinig problemen op. Akkoord, toen ze in de Albert Heijn net iets te hard riep: ‘Papa, jij hebt een heel grote piemel, hè?’ was dat voor het kassameisje net iets grappiger dan voor mij, maar meestal kan ik wel om haar lachen.
Eduard niet. Hij kijkt me streng aan en vertelt dat ze Iets Heel Ergs heeft gezegd vandaag. Of ik dat maar met haar wil bespreken. Thuis, want het Hele Erge is niet voor herhaling vatbaar.

‘Meester Eduard was boos op je, vandaag, hè?’ vraag ik haar als ze in haar prinsessenbed ligt en ik haar ritueel heb doodgekieteld.
Ze laat schuldbewust haar hoofdje hangen.
‘Had je iets stouts gezegd?’
Ze knikt langzaam.
‘Wat dan?’
Ze buigt zich naar me toe en fluistert het in mijn oor.
‘Ah,’ zeg ik. ‘Ja, daar houdt Eduard niet van.’
Ik geef haar een kus. ‘Ga maar lekker slapen, schat,’ zeg ik. ‘Droom maar fijn dat je dikke tieten hebt.’
Ze giechelt. ‘Ja,’ zegt ze. ‘Hele dikke tieten.’

Meer columns op vriendin.nl

1 reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Gordels prutsen

Fie (4) lag te slapen in het bed van vrienden van ons. Ze had zich opgerold in een hoekje – een klein, klein kleutertje in een veel te groot bed. Voorzichtig tilde ik haar op en met dat slapende meiske in mijn armen sloop ik de trap af. Fluisterend namen we afscheid. Jeska hield het autoportier voor me open. Haar grote broers zaten al achterin. Heel voorzichtig zette ik Fie op haar plaats en schoof haar nachthemd wat opzij om de gordel dicht te maken, maar de klik kwam niet. Ik probeerde het nog eens: niets. Ik kon er ook nauwelijks bij: de stoelverhoger van Stag zat in de weg. Moderne kinderzitjes zijn hartstikke breed en aan alle kanten gepantserd. Ik kreeg mijn hand er al nauwelijks tussen, laat staan dat ik kon zien wat mijn vingers uitspookten daar in de krochten van onze achterbank. Na minutenlang blind rondprutsen wist ik de gesp vast te maken. Een luide klik was mijn beloning. Zachtjes sloot ik het portier en ging achter het stuur zitten. Ik was nog aan het uitparkeren toen Stag de gesp van zijn gordel omhoog hield en op verbaasde toon zei: ‘Hé, daarnet zat deze nog vast!’

Ik slikte een vloek in; ik had niet Fie’s gordel vast, maar de zijne losgeprutst.

‘Ik heb het echt niet gedaan!’ zei hij.

Voor de zekerheid wierp ik hem toch een boze blik toe.

 ‘Laat mij maar even,’ fluisterde Jeska. ‘Jij bent altijd zo onhandig met die dingen.’

Vijf minuten later zat Stag nog altijd los en Olle verklaarde op steeds luidere toon dat hij nu echt naar hui-hui-huis en naar be-he-he-hed toe wilde. Vloeken slikten we allang niet meer in. Ik stapte uit en begon, zwaar over Olle en Stag leunend, Jeska in de weg te zitten.

Zelfs dat hielp niet.

Ik wilde net te berde brengen dat wij vroeger nooit in een kinderzitje zaten wij –zaten gewoon potje-met-vet-zingend in de kattenbak. Met zijn tienen. Terwijl onze ouders voorin de ene peuk met de andere aanstaken–toen de verlossende klik klonk. En kort daarna nog een.

Ik keek haar hoopvol aan. Jeska keek triomfantelijk terug.

‘En ze slaapt nog!’ zei ik.

Tevreden reden we naar huis. Pas in de laatste bocht werd Fie wakker. Bij het inparkeren was ze wagenziek. Net voordat ik haar gordel loshad, spuugde ze alles onder.

Meer columns op vriendin.nl .

Geef een reactie

Opgeslagen onder Knoflog

Collega’s tongen

Als jochie heb ik te lijden gehad van de gerimpelde lippen van een kusgrage tante. Elk familiebezoek liet ze haar natte sporen na. Wanneer ze mijn schouders greep om te voorkomen dat ik ontsnapte, kneep ik preventief mijn ogen stevig dicht en perste ik mijn lippen op elkaar. Daar kwamen ze hoor, de zoenen, drie in getal, elk afgesloten met een luide plop; een op de linkerwang, een op de rechter en de laatste vol op mijn mond. Erna boende ik mijn gezicht tot de mouw van mijn trui doorweekt was van haar speeksel.

Tegenwoordig ben ik nogal kieskeurig als het om zoenen gaat en dat is lastig in deze tijd van het jaar. Oud en nieuw zelf is goed te doen –dat vier ik met zorgvuldig geselecteerde, zoenwaardige mensen –maar de eerste werkdag van een nieuw jaar is een hel. Het is ontwijken of gegeten worden. Mensen die je anders nauwelijks gedag zegt, bestormen je met opengesperde lippen en een begerige blik in de ogen. Beppie van de receptie, bijvoorbeeld. Natuurlijk is het een kwestie van smaak en misschien heeft Bep wel een zinderend seksleven met een manshoge Chippendale die haar urenlang vurig tongt, maar persoonlijk voel ik me onprettig bij het idee haar te moeten zoenen. Het zal die purperrode lipgloss wel zijn, of het zwarte dons op haar bovenlip.

Drie tips om de komende tijd veilig door te komen.

1. De zakelijke aanpak.

Zet je strengste bril op en kleed je alsof je gaat solliciteren. Loop in hoog tempo door de gangen, liefst met een stapel papieren in de armen. Vermijd oogcontact. Negeer uitgestoken handen en armen. Neem zo snel mogelijk plaats achter je bureau. Blijf daar zitten. Niet opstaan. (Niet lunchen.) (Niet plassen.)

2. De shock and awe tactiek.

Kweek een koortslip. Zo’n dikke, liefst met een korstje. Heb je pech en ben je niet gevoelig voor het herpesvirus, dan kan je ook kiezen voor een overrijpe puist boven je lippen. Prop je vol met chocolade (tip voor de volgende keer: vanaf zes december doen supermarkten de chocoladeletters per kilo de deur uit) en hoop op zo’n smeuige witkop.

3. Neem vrij.

Veruit de veiligste optie. Na Driekoningen mag er officieel niet meer genieuwjaarszoend worden. Wie genoeg vakantiedagen heeft, vermijdt kantoor tot die tijd. Voor alle anderen: sterkte en wees blij dat we alleen nieuwjaar vieren en geen nieuwmaand, nieuwweek of nieuwdag.

Deze column werd eerder gepubliceerd op vriendin.nl .

1 reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Eddie de Eekhoorn

Een nadeel van kinderen is dat ze elk jaar jarig zijn. En dat dat gevierd moet worden door hun van ADHD stuiterende vriendjes vol te proppen met suiker en caffeïne. We proberen kinderfeestjes dan ook zoveel mogelijk buitenshuis door te brengen.

Volgens de site stond de Zeister Educatieve Natuurdinges borg voor een spetterend partijtje voor kids tussen de 7 en 10 jaar oud. En dat voor maar vijf euro per kind.

Toch was Stag niet helemaal overtuigd. Konden we niet  beter gaan discobowlen? Dat hadden Quinten, Dylan en Gianni ook gedaan.

‘Discobowlen?’ zei ik. ‘Dat is toch veel te kinderachtig!’ (En het kost vijftien euro per persoon.)

Een week later liepen we het terrein van de natuurdinges op. Bij de ingang stond een volwassen kerel in een eekhoornpak. Zijn neus was zwartgeschminkt en hij droeg plastic hazentanden. ‘Hallo kindertjes,’ zei hij met een akelig hoog stemmetje. ‘Ik ben Eddie de Eekhoorn en ik ben het oudste dier van dit bos.’

Zeven jongens keken hem onbewogen aan. Quinten liet een colaboer.

‘Ja,’ zei de man in eekhoornpak, ‘maar er is een groot probleem in het bos. Hilda de heks heeft-‘

‘Boeien!’ zei Gianni.

‘Waarom heb je  een rits op je buik?’ vroeg Tristan.

‘Eekhoorns kunnen helemaal niet praten,’ zei Dylan.

Thibo was om Eddie heen gelopen en trok zijn capuchon omlaag. ‘Je oren zitten los!’ riep hij.

Eddie probeerde zijn kale hoofd weer te bedekken. ‘Jullie zijn geen lieve kinderen!’ riep hij. ‘Hilda de heks zal jullie-’

‘Boeien!’ zei Gianni.

‘Eddie vindt jullie heel stout! Je mag niet in mijn huisje!’

‘Boeien!’ zeiden Tristan, Stag, Dylan en Quintin in koor.

Eddie zuchtte diep. Hij ritste zijn buik open, haalde een verfrommeld A4-tje uit een binnenzak en zei, ditmaal met een lage, gruizige stem: ‘Dit is de speurtocht. Ik ga naar de kantine.’ Hij draaide zich om en liep weg.

‘Je hebt niet eens een staart!’ riep Thibo.

‘Boeien!’ zei Eddie en hij stak zonder om te kijken een middelvinger naar ons op.

Ik griste het A4-tje van tafel en vouwde het open. ‘Oké jongens,’ zei ik overdreven vrolijk. ‘Wie wil de speurtocht leiden?’

Dylan griste de kaart uit mijn handen.

‘Hier staat dat die tocht een uur duurt,’ zei hij.

Zeven jongens haalden hun iPhones tevoorschijn en startten Googlemaps op. Tien minuten later waren ze terug.

‘Wat gaan we nu doen?’ vroeg Stag.

‘Discobowlen,’ zei ik.

Uit zeven jongenskelen steeg een luid gejuich op.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Poetjespap

Ik heb de hele week pap gegeten. Brinta. Apart spul is dat, grauwig en kleffig en klonterig en als je het te lang laat staan verandert het in cement waar je bij staat. Voor je het weet sta je met een beitel in je handen je nap los te bikken. (Je nap, ja, want Brinta eet je niet uit een bord, maar uit een nap, als het even kan een biebelebontse.) Kortom: Brinta is zo’n beetje het vieste spul dat er is. Alleen baby’s en stokoude mensen eten het voor hun plezier, tussen het lachen, luiers bevuilen en kwijlen door. En ik dus, soms.

Pap is een van de weinige gerechten die ik goed beheers. Mijn kookkunst is blijven steken op het niveau ‘studentenprak’. Pasta met rode saus, rijst met prut, andijviestamppot… dat zijn de klassiekers die ik enigszins eetbaar weet te bereiden. Akkoord, ik heb een aardig zachtgekookt eitje in huis en ook mijn boterhammen met pindakaas en banaan mogen er wezen, maar een Michelinster verdien ik alleen voor mijn pap. Het is jammer dat ik het spul zo smerig vind, anders at ik het dagelijks. Nu maak ik het alleen als ik ziek ben. Waarom weet niemand, maar als ik ziek ben, krijg ik trek in pap.

En ik was ziek, de afgelopen week. Goed ziek. Tussen het hoesten, zakdoeken bevuilen en lodderig uit mijn ogen kijken door at ik mijn pap. Onderwijl twitterde ik over mijn erbarmelijke situatie en ik kreeg dadelijk antwoord. Behalve beterschapswensen meldden sommigen mij ook hun eigen favoriete ziektevoer. Kippensoep is populair, maar er zijn ook andere papeters. Havermout scoort hoog. Een persoon biechtte op dat ze altijd ‘poetjespap’ eet als ze ziek is. Beschuit met melk en suiker, is dat. Poetjespap, het klinkt als een gerecht dat je lievelingsoma voor je maakt.

Inmiddels gaat het beter. Ik ben leeggehoest, uitgesnotterd en afgekoeld tot een normale temperatuur. Bij het ontbijt vanmorgen moest ik bijna kokhalzen toen ik het pak Brinta zag staan. Toen wist ik dat ik beter was. Dat was maar goed ook, want het pak was leeg. Ik had al onze pap opgegeten. Beschuit hadden we nog wel, dus als ik nog ziek geweest was, had ik poetjespap kunnen proberen te maken. Nu leek het me vooral erg vies. Jammer.

Misschien ben ik binnenkort wel weer ziek. Niet zo erg ditmaal, een beetje maar. Net genoeg om trek te krijgen.

Meer columns op www.vriendin.nl/doen/knofs-column

Geef een reactie

Opgeslagen onder Vriendin.nl

Leesclub

Chicklit.nl leest Saladedagen

Geef een reactie

Opgeslagen onder Saladedagen